Familieverhalen - BremerMisjpoge

Ga naar de inhoud

Opa Joseph en Oma Eva Bremer

BremerMisjpoge
Published by in persoonlijkeverhalen · 2 september 2014
Tags: Nederlands

door Sarah (am) Bremer

Opa Joseph
(geb 7 juni 1885 in Amsterdam) en Oma Eva Bremer – Koekoek (geb 3 okt 1889 in Meerssen) woonden in Rotterdam tot het moment dat ze weggevoerd zijn. Ze zijn allebei op 23 april 1943 in Sobibor vermoord.

Wie waren die mensen, de ouders van mijn vader?
Een bakker die in Rotterdam woonde. De ouders van een groot gezin. Mijn vader, Simon Bremer (geb 10 maart 1912), vertelde heel af en toe een verhaal. Het leuke verhaal over de boterkoek die zijn vader bakte op vrijdag en die de jongens (zijn broers en hij) langs de deuren moesten verkopen voor sjabbat. Die ene keer dat ze de plaat hadden laten vallen en toen maar zelf de koopwaar hebben genasjt.
Maar mijn vader mistte ze zo, zijn ouders, zijn broer en zussen, dat hij weinig kon vertellen. Ik, als jongste dochter van Simon, begreep dat wel en vroeg er niet naar.....

Maar wat zou ik graag wat meer willen weten.
Dus ben ik gaan praten met twee mensen die opa en oma nog gekend hebben:
Chiel Dubbeld (geboren in 1935 als de oudste zoon van Johanna Bremer, dochter van opa en oma) en Eva Essenberg – Bremer (geboren in 1931 als oudste dochter van Simon Bremer).

Hieronder wat van hun verhalen. Herinneringen die beelden laten zien. Beelden van onze opa en oma Bremer uit Rotterdam.

Herinneringen van Chiel Dubbeld

Chiel is geboren op 30 april 1935 als oudste zoon van Johanna Bremer en Dick Dubbeld. Zijn vader werkte in het havenbedrijf en moest vaak op reis, zijn moeder ging mee. Chiel was dan bij opa en oma Bremer, hij heeft ze erg goed gekend, is bij hen opgegroeid. Ze waren groots met hem: hun 'Chieltje', hun kleinzoon.

Ik heb weleens de kaart gezien die ze uit Westerbork gestuurd hebben naar hun dochter, zijn moeder. Een kaart vol goede moed, waarin ze zich schikken in hun lot en het er het beste van hopen. Ze vragen om wat praktische zaken te sturen, zoals haarspeldjes en ze eindigen met de hartelijke groeten en kussen voor kleine Chieltje.


Sinds 1940 woonden Johanna en Dick met hun zoon Chiel in dezelfde straat als opa en oma. Het huis waar ze eerst woonden was gebombardeerd, waarna ze verhuisd zijn naar de Banierstraat. Zij woonden op nr. 27,  samen met oom Ed en tante Bep. Opa en oma woonden op nr. 39, op een zolderkamertje. Beneden opa en oma woonden een broer van oma: oom Salomon met zijn vrouw tante Netje. Een gezin met 13 kinderen. Als kleinzoon was hij alles voor opa en oma. Elke dag ging hij naar hen toe. Hoe arm ze het ook hadden, elke dag was er hetzelfde ritueel: even zitten bij opa en dan 2,5 dropcent krijgen.
Opa was de goedheid zelve, daar kon hij alles mee doen. Een ‘goedsul’ die werkte als bakker bij bakkerij Viool in Rotterdam. Ooit kon hij de bakkerij overnemen, maar daarvoor was natuurlijk geld nodig. Opa is toen naar zijn broers gegaan in Amsterdam. Als bankdirecteur en diamantair waren zij geslaagd in het leven en hadden geld. Zij wilden of konden hem niet helpen en opa bleef het bakkertje - in – dienst – van.

In 1941 is Chiel zijn zus Eva geboren. Zijn moeder mocht toen als Jodin de winkels niet meer in, dus moest hij boodschappen doen. Op een dag verloor hij het geld, een briefje van 25. Hij vluchtte naar zijn opa, die hem rustig liet worden. Opa pakte zijn knuistje vast en toen hij hem weer los liet zat daar een nieuw biljet in. "Van zijn eigen armoe, zo’n man was het".

Om wat bij te verdienen werkte oma voor de oorlog, toen dat nog kon, in de garderobe van het Libelle Theater in Rotterdam. Ze was heel modern voor die tijd en zag er altijd heel gekleed uit.
Oma was ontzettend lief en kon tegelijk ook heel fel zijn. Een echte ‘Koekoek’ (volgens Chiel): alles wat voor d’r mond kwam, zei ze. Ze was ‘familie – en naamziek’: alleen haar eigen kinderen bestonden. Schoondochters en schoonzonen noemde ze de ‘kouwe kant’.
Zo’n oma die alles voor haar lievelingen regelde. Kwam niet aan hen, want dan kwam je aan haar. Zoals die keer toen Chiel gevallen was en zijn broek had gescheurd. Oma repareerde het en sprak haar dochter aan: "je mag hem niet op zijn kop geven!"

Chiel beschrijft de straat alsof hij er werkelijk loopt. Hij is weer terug in vooroorlogs Rotterdam. Hij is het kleine jongetje wat over straat loopt. Hij ziet de huizen, hoort de geluiden. Zijn herinneringen zijn een verhaal waarin hij stapt, een wereld waarin hij beweegt. Hij vertelt het aan me alsof ik er ook ben. "Een eindje verderop wonen ze op dat kleine kamertje en oom Salomon daaronder. En dan loop je de hoek om en daar woont oom Max."
Zijn ogen flonkeren als hij vertelt, blij als een kind. Hij speelt weer op straat.

                                                                                                                                                     
Oma kwam langs toen hij aan het knikkeren was.
"Winst of verlies?" vroeg ze hem stilletjes. "Verlies" mimede hij terug. Ze gebaarde dat hij rustig door moest gaan en dat ze later terug zou komen. Wat later kwam ze weer: "winst of verlies?"
Winst was het nu. Waarop oma hardop zei "jongens, Chieltje moet nu mee naar huis om te eten" en weg gingen ze.

Opa was de enige die oma stil kon krijgen.
Als zij tekeer ging, keek opa haar aan en zei heel rustig enkel: "Eef".
"Ja wat moet je nou?"
"Niets, ik zeg alleen maar: Eef". Hij keek en zij bond in.

Opa en oma waren niet orthodox, maar elke vrijdagavond was het wel sjabbat. Geen gebeden, geen sjoel, maar met z’n allen samen zijn. Zo gezellig, het was feest. Hij herinnert zich het kleine kamertje, de grote pan soep op het fornuis. Allemaal waren ze er: de ooms en tantes, neefjes en nichtjes. Hij kreeg een eigen schoteltje met wat lekkers voor zich: rozijnen, noten.
Tot het laatst toe hebben ze zo bij elkaar gezeten op vrijdag, de hele familie.

Zijn tante Selma was verloofd met een christelijke jongen. Hij durfde het niet aan om met haar te trouwen. Oom Simon en zijn vader hadden een onderduikadres voor haar, maar oma wilde het niet: "jij krijgt mijn dochter niet mee". Oma wilde haar kinderen bij zich houden.

Ik vraag hem wat hij denkt waarom ze niet zijn ondergedoken. Snel geeft hij antwoord, fel komen de woorden uit zijn mond: "angst, ze waren bang."

Chiel legt me uit wat volgens hem een echte Koekoek is: lief, goedhartig en driftig.
Een echte Bremer is rustig en wil altijd de vrede bewaren. Hijzelf heeft van beide kanten wat.

"Ik was 7 toen opa en oma zijn weggehaald. Alle anderen die later zijn gestorven kan ik hebben: mijn vader en moeder, maar ook jouw vader, jouw moeder, oom Ed, tante Bep. Maar van de familie in de oorlog kan ik het niet verwerken. Zo zinloos."


Herinneringen van Eef Essenberg – Bremer

In 1931 zijn de 19 jarige Simon en 20 jarige Flora getrouwd. Flora was hoogzwanger, hun kindje moest in oktober komen. In de familie is er een uitdrukking: ‘een zevenmaandskindje komt altijd 2 maanden te vroeg’, misschien komt dat hier vandaan. Want Eef werd geboren op 26 augustus. Een mager kindje, wat gelijk na de geboorte met de ziekenwagen naar het ziekenhuis moest om in een couveuse gelegd te worden. Vader Simon maakte daar later grappend mopperige opmerkingen over: ‘kon je niet gaan lopen, je was gelijk al zo’n dure’.

Arm waren ze, erg arm. Als de huur niet meer betaald kon worden, vertrokken ze naar een ander huis. Van het Waterlooplein in Amsterdam, naar Rotterdam, naar Dordrecht. Vader Simon was colporteur, ging met huishoudelijke artikelen de boer op. Tot in Dordrecht, daar begon hij een eigen winkel in stofzuigers. Deze bracht hem ook geen geluk en weer verhuisden ze, eerst terug naar Amsterdam en toen naar Scheveningen.
Ondanks alle verhuizingen was er altijd contact met de familie. Een grote familie.
Van moeders kant waren er opa + oma en 4 ooms en 3 tantes. Van vaders kant: opa en oma Bremer en 4 ooms en 3 tantes. Deze trouwden ook weer en er kwamen neefjes en nichtjes. Elk weekend gingen ze op bezoek bij familie. Het ene weekend naar Amsterdam, naar de familie van moeder. Het andere weekend naar Rotterdam, naar de familie van vader. Of Rotterdam kwam bij hen langs op Scheveningen.

Een hechte grote familie, waar opa en oma Bremer de spil van waren. De vrouwen waren de baas, zo ook bij oma. Alle getrouwde jongens woonden in Rotterdam om de hoek bij haar. De schoondochters klaagden wel eens dat de mannen eerst naar hun moeder gingen, voordat ze thuis kwamen. Familie was sámen zijn.

In Scheveningen heeft opoe Vrouke bij hen gewoond, de oma van vader (de moeder van zijn moeder). Deze was eerst langs al haar kinderen gegaan en had overal een tijdje gewoond. Toen alle kinderen aan bod waren geweest, begon ze met de getrouwde kleinkinderen. Zij is in Scheveningen overleden.

Opa was wel gelovig, dat dacht Eef wel, maar hij droeg geen keppel en ook deden ze niet aan feestdagen. Opa was broodbakker, in dienst bij een bakkerij. Op vrijdag mocht hij voor zichzelf boterkoek bakken: Bremers Beste Boterkoek. Zijn zonen gingen dan met de platen boterkoek langs de huizen om zo wat extra’s te verdienen. Maar ze hadden ook trek en aten een deel van de handelswaar zelf op. Opa was lief voor de kleinkinderen. Soms als ze bij hem op de bakkerij was, lagen er rode en groene kersjes voor hem op het werkblad. Hij stopte dan een rood kersje in haar mond terwijl hij zijn wijsvinger voor zijn lippen deed: "stttt".

"Weet je wat echte Bremers zijn? Wij willen dat het altijd op onze manier gaat. Wij zijn zo eigenwijs. Wij kunnen veel vechten en we kunnen niet kwaad blijven. Ik wil geen ruzie. Als ik ruzie heb gemaakt denk ik altijd: zonde van de dag. Je moet genieten van de dag, genieten van de zon, van elkaar. "






Terug naar de inhoud